Main Menu

Irreducible ComplexityDarwin's Black BoxMutationsDegenerationIcons of EvolutionHomologyInverted RetinaFossil Record QuotesHorse EvolutionPunctuated EquilibriumPsychology of EvolutionScience vs DarwinismProteine SequencesPiltdown ManArcheoraptorCoelacanthIn the News...


De evolutie van het paard

In 1882 presenteerde Othniël Marsh een model van paardenfossielen om te laten zien hoe moderne paarden voort zijn gekomen uit kleinere voorouders. Modellen van paardenevolutie worden tegenwoordig vaak gebruikt in biologieboeken. Één voorbeeld:

 

 Zijn deze modellen echter op feiten gebaseerd?

 Zoals de bioloog Heribert Nilsson zei: “De stamboom van het paard is alleen in de tekstboeken mooi en geleidelijk”. De beroemde paleontoloog Niles Eldredge noemde het tekstboekplaatje ‘beklagenswaardig’ en ‘een klassiek geval van paleontologische museologie’. Zoals een gedetailleerde uiteenzetting van Walter Barnhart laat zien, is de ‘serie’ paarden een interpretatie van de gegevens. Hij laat zien hoe plaatjes van paardenevolutie, getekend door verschillende evolutionisten, van elkaar verschillen, terwijl ze gemaakt zijn aan de hand van dezelfde gegevens. Het concept van evolutie zelf evolueerde.

 Omstreeks 1920 werd het duidelijk dat de evolutie van het paard veel complexer was dan Marsh in zijn model liet zien.

 Als we dit model nauwkeurig onderzoeken, komen we verschillende problemen tegen die de mogelijkheid uitsluiten dat we hier een echte serie geëvolueerde paarden hebben. We komen erachter dat de evolutionisten dieren van verschillende groottes geselecteerd hebben, deze van klein naar groot gerangschikt hebben en het toen ‘een paardenserie’ genoemd hebben.

 

  1. Verschillende dieren in elke serie. In de tentoonstelling van de paardenserie zien we een klein, drietenig dier dat uitgroeit tot ons enkeltenig paard. Maar de reeks varieert van museum tot museum (er zijn kleinere diersoorten geselecteerd om het ‘vroege paard’ af te beelden). Er zijn meer dan twintig verschillende tentoonstellingen van paardenfossielen in musea, maar geen twee zijn hetzelfde. De experts maken een selectie van botten van kleinere dieren en leggen deze naast de botten van paarden en voilà! Alweer een paardenserie!

 

  1. Verbeelding, niet echt. De opeenvolging van kleine, veeltenige dieren naar lange, enkeltenige ontbreekt volledig in het fossiele verslag. Sommige kleinere wezens hebben één of twee tenen, sommige grotere hebben er twee of drie.

 

 

a. Orohippus (Eoceen), b. Miohippus (Mioceen), c. Hipparion (Plioceen), d. Equus

 Dit evolutiemodel, van meer-tenige paarden tot enkeltenige paarden, is fictie. Tussenvormen die een geleidelijke overgang laten zien, zijn nooit in de juiste volgorde gevonden. De tendens naar een grotere omvang was in het geheel niet te zien.

 

  1. Aantal ribben. Het aantal ribben komt niet overeen met de reeks. De viertenige Hyracotherium heeft achttien paar ribben, het volgende dier heeft er negentien, dan is er een sprong naar vijftien en dan weer naar achttien voor Equus, het moderne paard.

 

  1. Geen overgangstanden. De tanden van de ‘paardachtigen’ zijn om te grazen of om te malen. Er zijn geen overgangsvormen tussen deze twee basistypen.

 

  1. Niet op volgorde in de grondlagen. De ‘paarden’ komen niet uit de ‘juiste’ grondlaag, van laag naar hoog. (Soms is het kleinste ‘paard’ gevonden in de hoogste grondlaag.)

 

  1. Een das een paard noemen. Het eerste paard is Eohippus (vroeg paard) genoemd, maar experts noemen het vaak liever Hyracotherium, omdat hij net zo is als de moderne hyrax, of klipdas. Sommige musea laten Eohippus helemaal weg, omdat het identiek is aan de konijnachtige hyrax (klipdas) die nu in Afrika leeft. (De experts die bij hun Eohippustheorie blijven, moeten toegeven dat het in bomen geklommen heeft!) De viertenige Hyracotherium lijkt in geen enkel opzicht op het paard. (De poot van de hyrax ziet eruit als een hoef omdat het een zuignap is, zodat het kleine dier rechtop verticale bomen op kan klimmen. Paarden hebben geen zuignappen onder hun hoeven zitten!)

“Het eerste dier in de serie, Hyracotherium (Eohippus), verschilt zoveel van het moderne paard en is zo anders dan het volgende dier in de serie, dat er een groot vraagteken staat bij zijn recht op een plaats in de serie… [Het heeft]  een smal gezicht met de ogen halverwege op de zijkant, konijnentanden met niet veel van een diasteem (ruimte tussen de voorste en achterste tanden), gebogen rug en lange staart.” HG Coffin, Creation: Accident of Design? (1969), blz. 194-5.

 

  1. Paardenseries bestaan alleen in musea. Er is nog nooit een complete serie paardenfossielen in de juiste evolutionaire volgorde gevonden, waar dan ook ter wereld. De fossiele paardenserie begint in Noord – Amerika (of Afrika, de meningen verschillen hierover), maakt een sprong naar Europa en dan weer terug naar Noord – Amerika. Wanneer ze op hetzelfde continent gevonden worden (zoals de John Day formatie in Oregon), komen de drietenige en de enkeltenige paarden in dezelfde aardlaag (stratum) voor. Volgens de evolutietheorie zouden er echter miljoenen jaren overheen moeten gaan voordat een soort verandert in een andere soort.

 

  1. Elk fossiel onderscheidt zich van de andere. Er zijn geen overgangsvormen tussen twee van deze ‘paarden’. Zoals met alle andere fossielen verschijnt elk ‘paardenfossiel’ opeens in het fossiele verslag.

 

  1. Bodem aan de top gevonden. Fossielen van Eohippus zijn gevonden in de bovenste aardlagen, naast fossielen van twee moderne paarden: Equus nevadensis en Equus accidentalis.

 

10.     Zowel beneden als boven in het verslag missende overgangsvormen. Eohippus, de eerste van deze ‘paarden’, is totaal niet verbonden door één of andere vermeende link met zijn aangenomen voorouders, de condylarths.

 

11.     Moderne paardenfossielen onder fossielen van het ‘vroege paard’. In Zuid – Amerika is het enkeltenige dier (recenter) gevonden onder het drietenige (ouder).

 

12.     Nooit gevonden in opeenvolgende aardlagen. Nergens ter wereld zijn de paardenfossielen in opeenvolgende aardlagen gevonden.

 

13.     Veel variatie in grootte. De in musea getoonde series beelden over het algemeen een toename van omvang af; en toch is de variatie in omvang van op dit moment levende paarden, van de kleine Amerikaanse miniatuur pony’s tot de enorme shires van Engeland, zo groot als wat in het fossiele verslag gevonden is. De moderne paarden zijn echter allemaal parden, en niets anders.

 

 

14.     Botten een ontoereikende basis. In realiteit kan men niet uitgaan van overblijfselen van skeletten. Levende paarden en ezels zijn duidelijk verschillende soorten, maar een verzameling van hun botten zou hen samenbrengen.

 

We komen dus duidelijk bij een klassiek voorbeeld van evolutionistisch ‘wishful thinking’. In plaats van de theorie aan de hand van het fossielenverslag te interpreteren en de geloofwaardigheid ervan te testen, wordt het fossielenverslag vaak geïnterpreteerd aan de hand van de theorie. Hierdoor krijgen we een verdraaid beeld van de feiten, die begraven zijn in een dikke laag van ‘bevooroordeelde’ veronderstellingen.

Marsh’ ‘Paardenevolutie’ wordt heden ten dage nog steeds als feit aan studenten gepresenteerd. In het Amerikaanse Museum of Natural History was een tentoonstelling van fossielen. ‘De tentoonstelling is nu gesloten voor het publiek omdat het een achterhaalde en in verlegenheid brengende expositie is. Bijna een eeuw later heronderzocht de paleontoloog George Gaylord Simpson paardenevolutie en concludeerde dat generaties studenten misleid zijn.’ (Encyclopedia of Evolution – Richard Milner)

Een toenemend aantal wetenschappers spreekt zich uit tegen de theorie van de paardenevolutie.

 

Wat wetenschappers zeggen*

Eohippus [Hyracotherium], lijkt, hoewel verondersteld wordt dat dit het eerste paard was, niet in het minste of geringste op een paard – en inderdaad, toen het gevonden werd, werd het ook niet als paard geclassificeerd. Het lijkt opvallend op de huidige Hyrax (of klipdas), zowel qua stuctuur van het skelet als de (aangenomen) manier van leven…”

“Musea en evolutionistische tekstboeken laten alleen een gedeeltelijke en gunstige selectie van gereconstrueerde paarden zien. Terwijl de algemene trend neigt naar grotere paarden, zien we bij de eerste drie paardenfossielen een afname van omvang. In elk geval, de grootte van de huidige paarden, van de kleine Amerikaanse miniatuurpaarden tot de grote shires van Noord – Brittanië, is hetzelfde als die welke gevonden is in het fossiele verslag…” 

“De reeks van veeltenige tot enkeltenige dieren is net zo grillig, met talrijke tegenstrijdigheden en voorbeelden van achteruitgang in vergelijking tot de theoretische ideale volgorde.”

“Zelfs met alle mogelijke fossielen erbij, lijken er grote sprongen te zijn wat betreft de omvang van paarden, van de ene soort naar de volgende, zonder overgangsvormen” (Evolutionist, Francis Hitching, “The Neck of the Giraffe – Where Darwin Went Wrong,” NY: Ticknor and Fields, 1982, blz. 16-7,19,28-30). Nadruk toegevoegd.

“Tegenwoordig echter is het een kwestie van geloof dat de tekstboekplaatjes waar zijn of zelfs dat ze de beste voorstellingen zijn van de waarheid waar we heden ten dage over kunnen beschikken. … Het maakt nogal een verschil of een naam op een diagram een heel skelet vertegenwoordigt of slechts een tand, …” (Evolutionist, G.A. Kerkut, “The Implications of Evolution,” New York: Pergamon Press, 1960, blz 141ff). Nadruk toegevoegd.

“Wanneer echter alles onder de loep genomen is, kan een rij op elkaar lijkende fossielen geen bewijs zijn dat de ene soort veranderd is in de andere; we kunnen niet zeker zijn dat de kleine klipdas van vroeger in Orohippus veranderd is. Het is net zo aannemelijk dat ze altijd twee aparte soorten zijn geweest, één nog levende en één uitgestorven soort. … Om het anders te zeggen, als we paarden en ezels alleen kenden aan de hand van hun fossiel, zouden ze ook geclassificeerd kunnen worden als varianten binnen één soort, maar de ervaring van fokkers laat zien dat het in feite twee soorten zijn. Het trieste feit blijf dat, hoewel we het enorme werk van mannen als Henry F. Osborn en G.G. Simpson in de paardenevolutie erkennen, de gegevens geselecteerd zijn om in de theorie te passen, en dit kan niet als wetenschappelijk bewijs gezien worden” (Ian Taylor, “In the Minds of Men: Darwin and the New World Order,” Toronto: TFE Publishing, 1987, blz 152-3). Nadruk toegevoegd.

De klassieke ontwikkeling (rechte lijn) van het paard volgens [de paleontoloog Othniel C.] Marsh [van de universiteit Yale] is opgenomen in elk biologie tekstboek en in een beroemde tentoonstelling in het American Museum of Natural History. Het liet een serie fossielen zien waarvan elk fossiel groter en een beter ontwikkelde hoef had dan zijn voorganger. (De tentoonstelling is nu gesloten voor het publiek als een achterhaalde en in verlegenheid brengende expositie.)

“Bijna een eeuw later onderzocht de paleontoloog George Gaylord Simpson paardenevolutie opnieuw en concludeerde dat generaties studenten misleid zijn. In zijn boek Horses (1951) liet hij zien dat er totaal geen eenvoudige, gradueel rechtlijnige ontwikkeling is.”

“… Marsh rangschikte zijn fossielen om te ‘leiden naar’ de ene soort die overleeft, argeloos allerlei zwakheden en elk tegenstrijdig bewijs negerend” (Milner, The Encyclopedia of Evolution, 1993, blz. 222, Ev+). Nadruk toegevoegd.

“We leven nu ongeveer 120 jaar na Darwin en de kennis van het fossielenverslag is sterk uitgebreid. We hebben nu een kwart miljoen fossiele soorten, maar de situatie is niet veel veranderd. Het evolutieverslag is nog steeds verbazingwekkend gebrekkig en, ironisch genoeg, hebben we minder voorbeelden van evolutionaire overgangsvormen dan we in Darwins tijd hadden. Hiermee bedoel ik dat sommige van de klassieke gevallen van verandering in het fossiele verslag, zoals de paardenevolutie in Noord – Amerika, geschrapt moesten worden of bijgesteld moest worden als gevolg van meer gedetailleerde informatie…” (David M. Raup, “Conflicts Between Darwin and Paleontology, “Field Museum of Natural History Bulletin, January 1979, blz. 25). Nadruk toegevoegd.

Toen paleontoloog Niles Eldregde gevraagd werd naar de paardenserie, zei hij: “Er zijn heel veel verhalen geweest, sommige met meer verbeelding dan andere, over de oorsprong van dit dier. Het meest beroemde voorbeeld, nog steeds te vinden bij exposities, is de expositie van de misschien vijftig jaar geleden bedachte paardenevolutie. Dat is in het ene tekstboek na het andere als literaire waarheid neergezet. Ik denk dat dat beklagenswaardig is, vooral omdat de mensen die dit soort verhalen neerzetten op de hoogte kunnen zijn van de twijfelachtige natuur van sommige van deze verhalen” (Harper’s Magazine, 1985, blz. 60). Nadruk toegevoegd.

“Vanuit een puur wetenschappelijk standpunt echter zijn er … problemen met deze reeksen. De eerste is dat, hoewel het fossiele verslag overvloedig genoeg is om in deze tussenvormen te voorzien, het consequent faalt om overblijfselen te laten zien die daadwerkelijk overgangsvormen blijken te zijn. De overeenkomsten tussen Eohippus en Mesohippus zijn groot. Maar hun verschillen zijn nog groter. Botten van Eohippus en Mesohippus zijn in verschillende plaatsen gevonden. Maar botten van de dieren die deze twee zouden moeten verbinden zijn niet zeldzaam – ze bestaan eenvoudigweg niet.”

Het tweede probleem is dat, gezien het blijvende bestaan van gaten in het fossiele verslag en het blijvende falen van het vinden van de hypothetische overgangsvormen, de Eohippus serie een evolutionistische serie genoemd wordt, terwijl het geen wetenschappelijke theorie is – het is een daad van geloof, een kwestie van geloven. Het is volledig waar dat een intelligent, rationeel persoon de overblijfselen kan onderzoeken en ervan overtuigd kan zijn dat ze een evolutionaire reeks vertegenwoordigt, maar niet door enig aangehaald bewijs, aangezien de Eohippus-reeks geen bewijs is voor evolutie. Het is bewijs voor het vorige bestaan van verschillende kleinere diersoorten met een opvallende overeenkomst, het is geen bewijs van een verwantschap tussen de soorten. En het is de verwantschap waar het om gaat.” (Richard Milton, “Horses?”, Fossil Horses and Evolution, http://www.alternativescience.com/fossil-horses.htm). Nadruk toegevoegd.

Van het tegenwoordig populaire voorbeeld van paardenevolutie, dat een graduele reeks van veranderingen van viertenige wezens ter grootte van een vos die bijna 50 miljoen jaar geleden leefden naar de huidige, veel grotere, enkeltenige paarden laat zien, weten we dat het fout is. In plaats van graduele veranderingen verschijnen fossielen van elke vorm compleet onderscheiden, blijven ongewijzigd en sterven vervolgens uit. Overgangsvormen zijn onbekend (Evolutionist, Boyce Rensberger, Houston Chronicle, 5 november 1980, sec. 4, blz. 15) Nadruk toegevoegd.

“Ik geef toe dat een groot deel van die [fantasie] in tekstboeken is verschenen als feit. Het meest beroemde voorbeeld, nog steeds te vinden bij exposities, is de expositie van de misschien vijftig jaar geleden bedachte paardenevolutie. Dat is in het ene tekstboek na het andere als literaire waarheid neergezet. Ik denk dat dat beklagenswaardig is, vooral omdat de mensen die dit soort verhalen neerzetten op de hoogte kunnen zijn van de twijfelachtige natuur van sommige van deze verhalen. Maar tegen de tijd dat het de tekstboeken bereikt heeft, wordt het voorgesteld als wetenschappelijke waarheid en hebben we een probleem.” (Dr Niles Eldredge, Paleontoloog en evolutionist) Nadruk toegevoegd.

“De uniforme, continue transformatie van Hyracotherium naar Equus, hoewel dicht bij de harten van generaties van tekstboekschrijvers, heeft nooit plaatsgevonden in de natuur.” (George Simpson, Paleontoloog en evolutionist, gemaakt met betrekking tot de gewoonlijk besproken paardenevolutie) Nadruk toegevoegd.

“De afkomst van het paard is alleen in de tekstboeken mooi en vloeiend. Uit onderzoek is gebleken dat in realiteit de afkomst samengesteld is uit drie gedeelten, waarvan alleen de laatste echte paarden bevat. De vormen in het eerste deel zijn net zozeer geen kleine paarden als de huidige klipdas geen paard is. De serie van het paard is dan ook heel kunstmatig, aangezien het samengesteld is uit ongelijke delen, en daarom kan het dus geen continue overgangsserie zijn.” (Prof. Heribert Nilsson, Synthetische Artbildung, Verlag CWE Gleerup, Lund, Sweden, 1954, blz. 551-2) Nadruk toegevoegd.

“Bovendien zijn de beslissende stappen binnen de langzaam ontwikkelende series, zoals de beroemde paardenserie, abrupt en zonder overgang: de keuze van de middelvinger voor verdere groei bijvoorbeeld, tegenover de twee middelvingers in de evolutie van de artidactyles, of de plotselinge overgang van de viertenige naar de drietenige voet met overwicht van het derde gebied.” (Goldschmidt, Richard B. [Prof. of Genetics and Cytology, University of California](1952), “Evolution, As Viewed By One Geneticist”, American Scientist, Vol. 40, No. 1, p. 84-94) Nadruk toegevoegd.

“De feiten van het grootste algemeen belang zijn de volgende. Wanneer een nieuwe soort, klasse of orde verschijnt, volgt er een (in termen van geologische tijd) snelle, explosieve verscheidenheid zodat vrijwel alle ordes of families die we kennen plotseling en zonder enkele schijnbare overgangsvormen verschijnen. Daarna volgt een langzame evolutie; dit ziet er vaak uit als een graduele verandering, stap voor stap, maar onderaan dit niveau komen abrupte grote stappen zonder overgangsvormen voor. Aan het eind van zo’n serie is er vaak sprake van een soort van evolutionistische wedloop. Gigantische vormen duiken op en zeldzame of pathologische typen van verschillende soorten gaan de uitsterving van zo’n lijn voor. Bovendien zijn de beslissende stappen binnen de langzaam ontwikkelende series, zoals de beroemde paardenserie, abrupt en zonder overgang: de keuze van de middelvinger voor verdere groei bijvoorbeeld, tegenover de twee middelvingers in de evolutie van de artiodactyles, of de plotselinge overgang van de viertenige naar de drietenige.” (Goldschmidt, Richard B. [Prof. of Genetics and Cytology, University of California](1952), “Evolution, as Viewed by One Geneticist”, American Scientist, Vol. 40, No. 1, p. 84-94) Nadruk toegevoegd.

Het is duidelijk dat het bewijs van de paardenevolutie niet zo nauwkeurig is als ze wordt voorgesteld. Biologiestudenten leren filosofie onder het mom van ware wetenschap. De feiten in de theorie inbouwen kan leiden tot misinterpretatie van de feiten.

*Deze aanhalingen zijn letterlijk uit het Engels vertaald.

Irreducible Complexity?

   

 

A transitional form?

Click the images to learn more...

Our Ancestor?